Wie en wat is AVRA?
De Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie, kortweg AVRA, legt zich toe op de studie van de resten uit het verleden rond Antwerpen, in het bijzonder de Romeinse periode.
AVRA wil het grote publiek laten kennismaken met archeologie. Daarvoor organiseert ze onder meer voordrachten en studiereizen, en beheert ze een archeologische collectie, verworven uit eigen opgravingen. AVRA neemt ook geregeld actief deel aan archeologische colloquia en studiedagen, met resultaten uit eigen onderzoek.
Het bewaren en bestuderen van de archeologische collectie is een van de kerntaken van de vereniging. In de depots en werkruimtes in Kontich en Wijnegem worden de vondsten bestudeerd, geconserveerd en gerestaureerd. Een selectie van de vondsten wordt tentoongesteld in het gemeentehuis van Wijnegem en in het Museum voor Heem- en Oudheidkunde van Kontich. Daarnaast werken we aan de publicatie van de vondsten en de opgravingsresultaten. Jaarlijks staan in het AVRA-bulletin de rapporten van de vooruitgang van dit onderzoek.
Zes keer per jaar zijn er lezingen over actuele archeologische onderwerpen. Daarbij zoeken we naar een evenwicht tussen lokaal onderzoek in Vlaanderen en daarbuiten.
Elk jaar bezoeken we archeologische musea en tentoonstellingen onder leiding van deskundige gidsen. Met regelmaat organiseert de vereniging ook meerdaagse reizen.
Teken je graag, of wil je helpen bij het restaureren van aardewerk, neem contact op via contact@avra.be. Heb je interesse in de lezingen van AVRA of bezoek je graag een tentoonstelling, wordt dan lid van AVRA.
Wie is wie?
- Kathy Sas
- Francis Van Elst
- Chris De Laet
- Dirk Vereycken
- Tim Clerbaut
- Peter Verstappen
- Guido Cuyt
voorzitter
ondervoorzitter
secretaris
penningmeester
bestuurslid
bestuurslid
erevoorzitter
FELIX QUI POTUIT RERUM COGNOSCERE CAUSAS
“Gelukkig is hij die de oorzaken der dingen heeft kunnen doorgronden.”(Vergilius, Georgica, II, 489)
QUIDQUID SUB TERRA EST, IN APRICUM PROFERET AVRA
Al wat onder de aarde ligt, zal AVRA aan het licht brengen.
(vrij naar Horatius, Epistulae I, 6, 24)



